ECLI:NL:RVS:2019:3229
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening in hoger beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 9 april 2018 een aanvraag van vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond. De rechtbank Den Haag vernietigde dit besluit op 12 augustus 2019 en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit op bezwaar moest nemen. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank in stand zou blijven en besloot daarom dat de staatssecretaris geen nieuw besluit op het bezwaar hoeft te nemen totdat het hoger beroep is beslist. Tevens werd bepaald dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Deze uitspraak betreft een voorlopige voorziening in een bestuursrechtelijke procedure over vreemdelingenrecht, waarbij de belangen van de staatssecretaris en de vreemdelingen zorgvuldig zijn afgewogen.
Uitkomst: De staatssecretaris hoeft geen nieuw besluit op bezwaar te nemen totdat het hoger beroep is beslist.