ECLI:NL:RVS:2019:3243
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot opheffing vreemdelingenbewaring tijdens hoger beroep
De vreemdeling is op 14 juli 2019 in vreemdelingenbewaring gesteld. Tegen dit besluit heeft de vreemdeling beroep ingesteld bij de rechtbank, dat op 27 augustus 2019 ongegrond werd verklaard. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Hiertegen is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De vreemdeling verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, namelijk de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring, omdat de bodemprocedure was aangehouden. De staatssecretaris gaf aan dat de vreemdeling op 28 september 2019 zou worden uitgezet, waarna de bewaring automatisch zou eindigen.
De voorzieningenrechter overwoog dat het belang van de staatssecretaris bij het voortduren van de bewaring zwaarder weegt dan het belang van de vreemdeling bij onmiddellijke opheffing, mede gelet op de termijnen uit artikel 5 EVRM Pro. Daarom werd het verzoek afgewezen en hoefde de staatssecretaris geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Verzoek tot opheffing vreemdelingenbewaring wordt afgewezen; bewaring blijft van kracht tot uitzetting.