ECLI:NL:RVS:2019:3300
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- G.M.H. Hoogvliet
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Vernietiging bestuurlijke boete wegens onterecht onttrekken woonruimte aan bewoning
Het college legde aan appellante een bestuurlijke boete van €20.500,- op wegens overtreding van artikel 21 van Pro de Huisvestingswet 2014, omdat de woning aan de [locatie 1] te Amsterdam zou zijn onttrokken aan de woonruimtevoorraad zonder vergunning. Uit onderzoek bleek dat de woning werd gebruikt voor vakantieverhuur en niet bewoond werd door appellante of haar ex-partner, die gedetineerd was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar in hoger beroep stelde appellante dat haar ex-partner nog steeds hoofdverblijf had in de woning en dat de woning niet daadwerkelijk werd verhuurd, omdat de aanwezige bezoeker geen huur betaalde. Tevens stelde zij dat het college ten onrechte het verbod van détournement de pouvoir had geschonden en dat de boete te hoog was.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat de woning niet meer als hoofdverblijf werd gebruikt, mede omdat persoonlijke spullen van de ex-partner mogelijk aanwezig waren en hij de intentie had terug te keren. Ook was niet bewezen dat de woning daadwerkelijk voor vakantieverhuur werd aangeboden. Daarom werd het besluit van het college vernietigd en de boete herroepen.
Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het besluit tot oplegging van de bestuurlijke boete wordt vernietigd en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.