ECLI:NL:RVS:2019:3346
Raad van State
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek tot beperking kennisneming vertrouwelijke brief minister
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag. Tijdens de behandeling heeft de minister een vertrouwelijke brief overgelegd en verzocht om beperking van kennisneming hiervan op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Afdeling heeft het hoger beroep behandeld en nadere schriftelijke inlichtingen ingewonnen bij de minister. De minister stelde dat volledige kennisneming schade zou toebrengen aan het algemeen belang, met name de bescherming van bronnen en actuele werkwijzen van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.
Na zorgvuldige belangenafweging oordeelt de Afdeling dat het verzoek tot beperking van kennisneming deels gerechtvaardigd is. Voor gedeelten van de brief die geen vertrouwelijke informatie bevatten, wordt het verzoek afgewezen. De minister wordt verzocht een versie van de brief aan te leveren waarin de vertrouwelijke gedeelten onleesbaar zijn gemaakt, zodat deze aan appellant en de Afdeling kunnen worden verstrekt.
De Afdeling wijst het verzoek af voor specifieke pagina’s en gedeelten van de brief, terwijl voor de overige delen het verzoek wordt ingewilligd. Hiermee wordt een evenwicht gevonden tussen het belang van transparantie voor appellant en het belang van bescherming van staatsgeheimen.
Uitkomst: Verzoek tot beperking kennisneming van vertrouwelijke brief deels ingewilligd en deels afgewezen met verzoek tot aanleveren aangepaste versie.