ECLI:NL:RVS:2019:3392
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen last onder dwangsom voor verwijderen mestopslagen op perceel
Appellante hield op haar perceel in Wilp zes pony’s waarvan de mest in hopen lag opgeslagen. Het college van burgemeester en wethouders van Voorst stelde dat deze opslag in strijd was met artikel 10.1 en 10.2 van de Wet milieubeheer en artikel 13 van Pro de Wet bodembescherming, omdat er geen maatregelen waren genomen om bodemverontreiniging te voorkomen. Daarom legde het college op 15 augustus 2018 een last onder dwangsom op om de mest te verwijderen en verwijderd te houden.
Appellante voerde aan dat zij de pony’s niet bedrijfsmatig hield en dat de mestopslag daarom niet in strijd was met genoemde wetsartikelen. Ook betwistte zij de rechtmatigheid van controles en stelde dat het college in redelijkheid van handhaving had moeten afzien vanwege geringe milieubelasting en haar beperking. Daarnaast stelde zij dat de last onduidelijk was en de dwangsom te hoog.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de wetsartikelen ook gelden voor niet-bedrijfsmatige houders en dat de mestopslag een overtreding vormt. De controles waren rechtmatig en het college had voldoende aanleiding om tot handhaving over te gaan, mede gezien de overlast door stank en vliegen en de nabijheid van woningen. Het college had bovendien rekening gehouden met de beperking van appellante door hulp te bieden. De last was duidelijk, omdat pony’s alleen vaste mest produceren en de dwangsom was proportioneel om naleving af te dwingen.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom voor het verwijderen van mestopslagen wordt ongegrond verklaard.