ECLI:NL:RVS:2019:3399
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering en intrekking toestemming beveiligingswerkzaamheden wegens onvoldoende betrouwbaarheid
De korpschef heeft op 9 april 2018 geweigerd toestemming te verlenen aan een beveiligingsorganisatie om appellant in dienst te nemen en heeft tevens een eerder verleende toestemming aan appellant ingetrokken om beveiligingswerkzaamheden te verrichten. Dit besluit was gebaseerd op processen-verbaal waarin appellant verdachte was in onderzoeken naar vernieling, bedreiging en mishandeling.
Appellant stelde dat deze incidenten onvoldoende zwaarwegend waren om zijn betrouwbaarheid in twijfel te trekken, maar de rechtbank oordeelde anders en verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat de korpschef beoordelingsruimte heeft en dat de betrouwbaarheid van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel moet staan.
De Raad van State motiveerde dat het proces-verbaal van vernieling en bedreiging, ondanks een beleidssepot, relevant bleef omdat er een serieuze verdenking bestond en appellant niet ontkende de tafel te hebben kapot gegooid. Ook de mishandeling, bevestigd door getuigenverklaringen en een veroordeling, onderbouwde het oordeel dat appellant onvoldoende betrouwbaar is.
De Afdeling concludeerde dat het niet verenigbaar is met de functie van beveiliger om betrokken te zijn bij dergelijke feiten die de rechtsorde aantasten. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de weigering en intrekking van toestemming voor beveiligingswerkzaamheden bevestigd.