ECLI:NL:RVS:2019:3470
Raad van State
- Hoger beroep
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid appellant bij handhavingsbesluit bouwwerken te Zeddam
Appellant, samen met twee andere belanghebbenden, verzocht het college om handhavend op te treden tegen bouwwerken en het gebruik van een perceel te Zeddam. Het college wees dit verzoek aanvankelijk af, maar wijzigde dit later door lasten onder dwangsom op te leggen aan de eigenaren van het perceel. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant tegen dit besluit niet-ontvankelijk, omdat appellant geen belanghebbende was.
Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel degelijk belanghebbende was, omdat de bouwwerken een grote ruimtelijke uitstraling zouden hebben en de beplanting het zicht niet volledig zou belemmeren. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellant geen gevolgen van enige betekenis ondervindt, mede door de afstand van ongeveer 80 meter en de dichte beplanting van een bosgebied tussen de percelen.
De Afdeling bevestigde dat appellant geen belanghebbende is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.