Uitspraak
Datum uitspraak: 16 oktober 2019
BESTUURSRECHTSPRAAK
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Raad van State
Appellanten hebben een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een overkapping op hun perceel in Beverwijk. Het college heeft deze aanvraag afgewezen omdat de overkapping niet voldoet aan de situering- en hoogtebepalingen van het bestemmingsplan en de gemeentelijke beleidsregels. De rechtbank heeft het besluit van het college bevestigd en overwogen dat het college bevoegd is om geen vergunning te verlenen omdat niet voldaan wordt aan de beleidsregels.
Appellanten stelden dat er bijzondere omstandigheden waren die afwijking van de beleidsregels rechtvaardigen, zoals de specifieke vorm van het perceel, de ligging van de overkapping en het feit dat het bouwplan waarin hun woning staat, in afwijking van het bestemmingsplan is gerealiseerd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt echter dat deze omstandigheden niet leiden tot een onevenredige uitkomst en dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom het vasthoudt aan het beleid.
De overkapping is niet gelegen in het achtererfgebied, terwijl de beleidsregels voorschrijven dat overkappingen alleen daar mogen worden gerealiseerd. Ook het feit dat de overkapping grotendeels aan het zicht wordt onttrokken door een erfafscheiding, is geen reden om af te wijken. De Afdeling bevestigt daarom het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de omgevingsvergunning bevestigd.