ECLI:NL:RVS:2019:3524
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- H. Troostwijk
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Vaststelling belangenafweging bij afwijzing verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM
De vreemdeling, met de Surinaamse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris werd afgewezen vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende rekening had gehouden met de mantelzorg die de vreemdeling verleent aan haar referent en dat de belangenafweging niet deugdelijk was gemotiveerd.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris terecht had geconcludeerd dat de mantelzorg niet medisch noodzakelijk was en dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het vertrek uit Nederland tot een medische noodsituatie voor de referent zou leiden. Tevens werd geoordeeld dat de belangenafweging, waarbij het economisch welzijn van Nederland zwaarder woog, deugdelijk was gemotiveerd.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en vernietigde het besluit van 11 december 2018 dat was genomen naar aanleiding van de vernietigde uitspraak. Proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris gehandhaafd.