ECLI:NL:RVS:2019:3526

Raad van State

Datum uitspraak
17 oktober 2019
Publicatiedatum
18 oktober 2019
Zaaknummer
201808609/2/A2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verschoning
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:19 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot verschoning van staatsraad vanwege mogelijke vooringenomenheid

In deze zaak heeft staatsraad De Moor-Van Vugt, lid van de meervoudige kamer die een hoger beroep behandelt, verzocht zich te mogen verschonen. Dit verzoek werd gedaan omdat een van de partijen hoogleraar is aan de Universiteit van Amsterdam, waar De Moor-Van Vugt zelf ook een nul-aanstelling als hoogleraar bestuursrecht heeft.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 8:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 8:15, waarin is geregeld dat rechters zich kunnen laten wraken bij omstandigheden die de rechterlijke onpartijdigheid kunnen schaden.

Gezien de mogelijke schijn van vooringenomenheid acht de Afdeling het verzoek tot verschoning gegrond en wijst dit toe. Hiermee wordt de onpartijdigheid van de rechterlijke behandeling van het hoger beroep gewaarborgd.

De beslissing is genomen door voorzitter Borman en leden Helder en Van Eck, en uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2019.

Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van staatsraad De Moor-Van Vugt wordt toegewezen om schijn van vooringenomenheid te voorkomen.

Uitspraak

201808609/2/A2.
Datum beslissing: 17 oktober 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op het verzoek om verschoning (ex artikel 8:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) van:
Mr. A.J.C. de Moor-van Vugt
Procesverloop
Ten aanzien van zaak nr. 201808609/1/A2, die op 22 oktober 2019 ter zitting zal worden behandeld, heeft staatsraad De Moor-Van Vugt, die deel uitmaakt van de meervoudige kamer die belast is met de behandeling van de zaak, op 17 oktober 2019 het verzoek gedaan zich te mogen verschonen.
Overwegingen
1.    Ingevolge artikel 8:19, eerste lid, van de Awb kan op grond van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:15 elk Pro van de rechters die een zaak behandelen, verzoeken zich te mogen verschonen.
In artikel 8:15 is Pro bepaald dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.    Staatsraad De Moor-Van Vugt heeft te kennen gegeven dat één van de partijen in deze zaak hoogleraar is bij de Universiteit van Amsterdam. Staatsraad De Moor-Van Vugt heeft zelf ook nog steeds een zogeheten nul-aanstelling als hoogleraar bestuursrecht aan de Universiteit van Amsterdam. Om iedere schijn van vooringenomenheid bij de behandeling van het hoger beroep te voorkomen, heeft zij verzocht om verschoning.
3.    De Afdeling acht, gezien deze motivering, inwilliging van het verzoek gerechtvaardigd.
4.    Gelet op het vorenstaande, wordt het verzoek toegewezen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek toe.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.
w.g. Borman    w.g. Pieters
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2019
473.