ECLI:NL:RVS:2019:3540

Raad van State

Datum uitspraak
22 oktober 2019
Publicatiedatum
22 oktober 2019
Zaaknummer
201901197/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht in vreemdelingenzaak

De vreemdelingen hadden bij besluit van 10 februari 2017 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf ingediend, die door de staatssecretaris werd afgewezen. Na het ongegrond verklaren van hun bezwaar en beroep bij de rechtbank, stelden zij hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De vreemdelingen voerden in hoger beroep aan dat zij in betalingsonmacht verkeerden en daarom geen griffierecht konden betalen. De Afdeling oordeelde echter dat op basis van de verstrekte informatie het heffen van griffierecht het voor hen niet uiterst moeilijk of onmogelijk maakt om gebruik te maken van de rechtsgang.

Ondanks meerdere aanmaningen hebben de vreemdelingen het griffierecht niet voldaan. Hierdoor verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer onder leiding van lid H.G. Sevenster.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

201901197/1/V1.
Datum uitspraak: 22 oktober 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 15 januari 2019 in zaak nr. 18/6332 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 10 februari 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 26 juli 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 januari 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. J. Eliya, advocaat te Hengelo, hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De vreemdelingen hebben in hoger beroep aangevoerd dat zij in betalingsonmacht verkeren. Bij brief van 20 februari 2019 heeft de griffier de vreemdelingen meegedeeld dat hun beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen omdat de Afdeling mede op basis van de door hen verstrekte informatie van oordeel is dat heffing van het griffierecht het voor hen niet uiterst moeilijk of onmogelijk maakt om gebruik te maken van de rechtsgang die is opengesteld.
2.    De griffier heeft de vreemdelingen er bij brief op gewezen dat zij voor het hoger beroep griffierecht moeten betalen. Hun is daarbij verzocht het griffierecht uiterlijk op 6 maart 2019 te voldoen. Omdat de vreemdelingen dit niet hebben gedaan, heeft de griffier hun bij aangetekende brief van 7 maart 2019 laten weten dat het griffierecht binnen twee weken na de dag van verzending van de brief op de rekening van de Raad van State moet zijn bijgeschreven of contant moet zijn betaald. In die brief staat ook dat als het griffierecht niet op die datum is ontvangen, het hoger beroep alleen al daarom niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Het griffierecht is niet betaald. De vreemdelingen hebben geen redenen aangevoerd waarom het hoger beroep toch in behandeling moet worden genomen.
3.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, griffier.
w.g. Sevenster    w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2019
210.