ECLI:NL:RVS:2019:3557

Raad van State

Datum uitspraak
23 oktober 2019
Publicatiedatum
23 oktober 2019
Zaaknummer
201907375/1/V2 en 201907375/2/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • E. Steendijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 92 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen buiten behandeling stelling verblijfsvergunning asiel

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de staatssecretaris bij besluit van 1 augustus 2019 buiten behandeling werd gesteld. Hiertegen stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 26 september 2019 ongegrond verklaarde.

De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. Het hogerberoepschrift werd echter niet tijdig ingediend; de termijn voor het instellen van hoger beroep eindigde op 3 oktober 2019, maar het beroepschrift kwam daarna pas binnen.

De vreemdeling maakte geen gebruik van de mogelijkheid om redenen aan te voeren waarom het hoger beroep toch in behandeling zou moeten worden genomen. De voorzieningenrechter verklaarde daarom het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. De staatssecretaris werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter E. Steendijk, in aanwezigheid van griffier J.W. Prins, op 23 oktober 2019.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

201907375/1/V2 en 201907375/2/V2.
Datum uitspraak: 23 oktober 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 26 september 2019 in zaak nr. NL19.18734 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 1 augustus 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld.
Bij uitspraak van 26 september 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.W.F. Menick, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De termijn voor het instellen van hoger beroep eindigde op 3 oktober 2019. Het hogerberoepschrift is daarna bij de Raad van State binnengekomen. De vreemdeling heeft het hogerberoepschrift daarom niet op tijd ingediend. De vreemdeling heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid redenen aan te voeren waarom het hoger beroep toch in behandeling moet worden genomen.
2.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II.    wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Steendijk    w.g. Prins
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2019
307-853.