ECLI:NL:RVS:2019:3558
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening kindgebonden budget wegens toeslagpartnerstatus
Appellant ontving in 2016 kindgebonden budget inclusief een toeslag voor alleenstaande ouders. De Belastingdienst stelde bij besluit van 16 februari 2018 het recht op kindgebonden budget herzien en verlaagde het bedrag omdat appellant sinds 2013 getrouwd was en zijn echtgenote als toeslagpartner moest worden aangemerkt.
De rechtbank oordeelde dat de herziening terecht was omdat appellant wist of behoorde te weten dat hij geen alleenstaande ouder was en daardoor ten onrechte een hogere toeslag ontving. Appellant voerde aan dat hij feitelijk alleenstaande ouder was omdat zijn echtgenote in het buitenland verbleef en dat de verlaging onevenredig is vanwege zijn financiële situatie.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt het oordeel van de rechtbank. De wettelijke bepalingen schrijven voor dat een echtgenoot als toeslagpartner geldt, ongeacht feitelijke verblijfplaats. Appellant had kunnen weten dat de toeslag te hoog was vastgesteld. De herziening en terugvordering zijn daarom rechtmatig en niet onredelijk.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak van de rechtbank Rotterdam wordt bekrachtigd.
Uitkomst: De herziening van het kindgebonden budget wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.