ECLI:NL:RVS:2019:3590
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Vernietiging verlenging begunstigingstermijn handhavingslast bouwvergunning
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de handhaving van een zonder vergunning gebouwde berging op een perceel in Budel centraal. Het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck had aanvankelijk geweigerd een bouwstop op te leggen, maar na bezwaar en beroep werd een last onder dwangsom opgelegd aan appellant sub 2 om de overtreding te beëindigen.
Appellant sub 1 betwistte de verlenging van de begunstigingstermijn die het college aan appellant sub 2 verleende om aan de last te voldoen. De Afdeling oordeelde dat de verlengingen van 7 maart 2019 en 2 september 2019 in strijd zijn met artikel 5:32a, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, omdat de termijn niet wezenlijk langer mag zijn dan nodig om de overtreding ongedaan te maken. De Afdeling stelde vast dat appellant sub 2 de overtreding binnen de oorspronkelijke termijn van drie maanden kon beëindigen en dat voor het voldoen aan de last geen omgevingsvergunning vereist is.
Het beroep van appellant sub 2 tegen de last onder dwangsom werd ongegrond verklaard, omdat het college terecht handhavend optrad gezien het ontbreken van bijzondere omstandigheden die daartoe aanleiding geven. Het beroep van appellant sub 1 tegen het niet tijdig nemen van een besluit werd niet-ontvankelijk verklaard. De Afdeling bepaalde dat het dwangsombesluit met terugwerkende kracht wordt geschorst tot drie maanden na de uitspraak, waarna dwangsommen verbeurd kunnen worden.
Tot slot werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan appellant sub 1. Deze uitspraak benadrukt het belang van een redelijke begunstigingstermijn en het juiste gebruik van handhavingsbevoegdheden door bestuursorganen.
Uitkomst: De verlengingen van de begunstigingstermijn worden vernietigd en het dwangsombesluit wordt geschorst tot drie maanden na de uitspraak.