ECLI:NL:RVS:2019:3598
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens ontbreken urgent huisvestingsprobleem
Bij besluit van 27 maart 2018 wees het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de aanvraag van appellante om een urgentieverklaring af. Appellante had een tijdelijke huurovereenkomst als huisbewaarder die eindigde op 31 december 2018. Het college oordeelde dat er geen urgent huisvestingsprobleem bestond omdat de huurovereenkomst tijdelijk was en het probleem voortkwam uit haar eigen verwijtbaar handelen.
Appellante voerde aan dat volgens de beleidsregels ook bij een tijdelijke huurovereenkomst een urgentieverklaring mogelijk is als er andere onvoorziene problemen zijn, maar de Afdeling oordeelde dat het einde van de tijdelijke huurovereenkomst geen onvoorziene omstandigheid is. De rechtbank had het beroep van appellante terecht ongegrond verklaard.
Verder stelde appellante dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden vanwege haar schrijnende situatie met twee minderjarige kinderen en psychische klachten. De Afdeling vond dat het college terecht geen medisch advies heeft gevraagd omdat het ingediende bewijs beperkt was en de situatie van appellante niet uniek is in Amsterdam.
Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.