ECLI:NL:RVS:2019:3615

Raad van State

Datum uitspraak
28 oktober 2019
Publicatiedatum
28 oktober 2019
Zaaknummer
201906631/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.J. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:104 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid Raad van State tot kennisneming hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep verblijfsvergunning

De vreemdeling had beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk. Hiertegen maakte de vreemdeling verzet, dat door de rechtbank ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat tegen een uitspraak op verzet tegen een niet-ontvankelijkverklaring geen hoger beroep mogelijk is op grond van artikel 8:104, tweede lid, Awb. De Raad van State stelde vast dat het verbod op hoger beroep alleen doorbroken kan worden indien sprake is van een oneerlijk proces, wat hier niet het geval was.

Daarom verklaarde de Raad van State zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen en wees de vordering van de vreemdeling af. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en wijst het af.

Uitspraak

201906631/1/V2.
Datum uitspraak: 28 oktober 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 6 augustus 2019 in zaak nr. NL19.6696 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij uitspraak van 11 juni 2019 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling verzet gedaan.
Bij uitspraak van 6 augustus 2019 heeft de rechtbank het verzet ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.J. Schüller, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De rechtbank heeft uitspraak gedaan op het verzet van de vreemdeling (artikel 8:55, zevende lid, van de Awb). Tegen zo'n uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 8:104, tweede lid, van de Awb).
2.    Wat de vreemdeling in hoger beroep aanvoert, is geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen. Het verbod op hoger beroep kan alleen worden doorbroken als er geen eerlijk proces is geweest. Dit doet zich hier niet voor.
3.    De Afdeling is onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, griffier.
w.g. Van Eck    w.g. Bosma
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2019
572-596.