ECLI:NL:RVS:2019:3619

Raad van State

Datum uitspraak
28 oktober 2019
Publicatiedatum
28 oktober 2019
Zaaknummer
201808205/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:24 AwbArt. 6:19 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank en verwijzing beroep nieuw besluit vreemdelingenrecht

Bij besluit van 30 januari 2017 wees de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat bij besluit van 25 september 2017 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen.

De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Dit hoger beroep werd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ongegrond verklaard, omdat het hogerberoepschrift geen relevante vragen bevatte die beantwoording behoefden in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.

Vervolgens nam de staatssecretaris op 14 december 2018 een nieuw besluit waarin het bezwaar opnieuw ongegrond werd verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak besloot het beroep tegen dit nieuwe besluit terug te verwijzen naar de rechtbank Den Haag voor verdere behandeling en beslissing.

Tot slot werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling en werd een griffierecht geheven. De uitspraak werd openbaar gedaan op 28 oktober 2019.

Uitkomst: Hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen het nieuwe besluit wordt terugverwezen naar de rechtbank.

Uitspraak

201808205/1/V1.
Datum uitspraak: 28 oktober 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 19 september 2018 in zaak nr. 17/15174 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 30 januari 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 25 september 2017 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 september 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.H. van den Berg-Klijbroek, advocaat te Alkmaar, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 14 december 2018 heeft de staatssecretaris het tegen het besluit van 30 januari 2017 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
3.    Het besluit van 14 december 2018 wordt, gelet op artikel 6:24 van Pro de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding het beroep tegen dat nieuwe besluit krachtens artikel 6:19, vijfde lid, van de Awb ter behandeling en beslissing naar de rechtbank te verwijzen.
4.    De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    verwijst het beroep tegen het besluit van 14 december 2018, V-nummer […], ter behandeling en beslissing naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem;
III.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV.    bepaalt dat van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een griffierecht van € 508,00 (zegge: vijfhonderdacht euro) wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Bijloos    w.g. Schuurman
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2019
282-886.