ECLI:NL:RVS:2019:3636
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling handhavingsverzoek aanleg watergang en bevoegdheid bestuursorgaan
Appellant A diende een handhavingsverzoek in tegen het college van burgemeester en wethouders van Opsterland vanwege vermeende illegale aanleg van een watergang op het perceel van belanghebbenden. Het college wees het verzoek af omdat de werkzaamheden onder een eerder verleende omgevingsvergunning vielen en het bevoegd gezag voor natuurbeschermingsontheffing GS was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant A niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang, omdat volledige inwilliging van het verzoek niet zou leiden tot het gewenste resultaat. Appellant B stelde hoger beroep in, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen bezwaar had gemaakt tegen het bestreden besluit.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde dat appellant A geen belang had bij het oordeel over het besluit omdat het handhavingsverzoek slechts betrekking had op een deel van het perceel en niet het gehele project kon beïnvloeden. Het hoger beroep van appellant B werd niet-ontvankelijk verklaard en dat van appellant A ongegrond. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep appellant B niet-ontvankelijk, hoger beroep appellant A ongegrond, aangevallen uitspraak bevestigd.