ECLI:NL:RVS:2019:3653
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Verklaring Omtrent het Gedrag na eerdere veroordelingen
Appellant vroeg op 8 november 2017 een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aan om als terminalwerker te kunnen werken. De minister weigerde de aanvraag op 25 januari 2018 vanwege eerdere veroordelingen voor diefstal en opzetheling binnen de terugkijktermijn van vier jaar. Het bezwaar en het beroep bij de rechtbank werden ongegrond verklaard.
Appellant stelde in hoger beroep dat het risico op herhaling nihil is, gezien de gesloten containers en strenge controles, en dat de belangenafweging in zijn voordeel uitvalt vanwege zijn werkervaring, diploma's, gezinssituatie en het tijdsverloop sinds de feiten. Tevens wees hij op de latere verlening van een VOG in september 2019.
De Afdeling oordeelde dat het objectieve criterium is voldaan omdat de aard van de functie en de aard van de veroordelingen een risico voor de samenleving vormen. Het subjectieve criterium werd eveneens negatief beoordeeld vanwege de frequentie van de antecedenten en het korte tijdsverloop. De latere verlening van een VOG doet hieraan niet af omdat de omstandigheden toen anders waren.
De Afdeling bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de VOG-aanvraag van appellant.