ECLI:NL:RVS:2019:3669
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding
De vreemdeling werd bij besluit van 19 juni 2019 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, beval de opheffing van de bewaring en kende schadevergoeding toe. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat na afwijzing van een asielverzoek als kennelijk ongegrond, de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft conform artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel van vreemdelingenbewaring kan ook na afwijzing van het asielverzoek worden toegepast indien de staatssecretaris motiveert waarom nader onderzoek naar identiteit en nationaliteit noodzakelijk is. In deze zaak was die motivering gegeven en niet bestreden door de vreemdeling.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de staatssecretaris hoefde geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer op 30 oktober 2019.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard met afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.