ECLI:NL:RVS:2019:3723
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit handhaving geluid en omgevingsvergunning bij bijgebouw in Eindhoven
Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven wees een verzoek af om handhavend op te treden tegen geluidshinder door een waterval in een vijver en het zonder omgevingsvergunning bouwen van een schutting en een bijgebouw bij een woning aan de [locatie 1] te Eindhoven. De appellant, wonend naast deze woning, ondervond hinder van het geluid en stelde dat handhaving noodzakelijk was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het geluid van de waterval geen overtreding van het Bouwbesluit 2012 oplevert en dat handhaving tegen de schutting onevenredig zou zijn. Wel stelde de rechtbank dat er concreet zicht op legalisatie van het bijgebouw bestond, waardoor handhaving daartegen niet nodig was.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat er geen geluidgrenswaarden gelden voor het geluid van de waterval, zodat het college terecht niet handhavend optrad tegen het geluid. Ook is het college terecht afgezien van handhaving tegen de schutting vanwege het ontbreken van wezenlijke belangen en verkeersveiligheidsproblemen. Echter, het college heeft ten onrechte geoordeeld dat er concreet zicht op legalisatie van het bijgebouw bestond vóór de aanvraag van de omgevingsvergunning. Dit leidt tot vernietiging van het besluit voor zover het het bijgebouw betreft, met inachtneming dat de verleende vergunning inmiddels het bijgebouw legaliseert.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het besluit van het college vernietigd voor het bijgebouw, maar de rechtsgevolgen blijven in stand. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het college vernietigd voor zover het het bijgebouw betreft, met inachtneming dat de rechtsgevolgen in stand blijven.