ECLI:NL:RVS:2019:382

Raad van State

Datum uitspraak
7 februari 2019
Publicatiedatum
8 februari 2019
Zaaknummer
201900191/2/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling

Bij besluit van 7 december 2018 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De vreemdeling heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 3 januari 2019 ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld bij de Raad van State.

De vreemdeling verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, waarbij de vrijheidsontnemende maatregel zou worden opgeheven. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft echter overwogen dat de maatregel op 21 december 2018 reeds is opgeheven, waardoor het verzoek om voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is.

De voorzieningenrechter verklaarde het verzoek dan ook kennelijk ongegrond en wees het af. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd. Over de eventuele schadevergoeding zal in de bodemprocedure worden beslist.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt afgewezen omdat de maatregel reeds is opgeheven.

Uitspraak

201900191/2/V3.
Datum uitspraak: 7 februari 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 januari 2019 in zaak nr. NL18.24869 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 7 december 2018 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 3 januari 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.    De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de vrijheidsontnemende maatregel wordt opgeheven. De Afdeling heeft namelijk laten weten dat de bodemprocedure wordt aangehouden in verband met de rechtsvraag die de eerste grief van de vreemdeling oproept.
2.    De vrijheidsontnemende maatregel is op 21 december 2018 opgeheven. Voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening bestaat daarom geen aanleiding. Over eventuele schadevergoeding zal in de bodemprocedure worden beslist.
3.    Het verzoek dient als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.
4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Van Meurs-Heuvel
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2019
47-873.