ECLI:NL:RVS:2019:3846
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens niet naleven inburgeringsplicht ondanks ne bis in idem-verweer
Bij besluit van 26 januari 2018 legde het college een boete van €400 op aan appellante wegens het niet tijdig behalen van het inburgeringsexamen, in strijd met artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering. Eerder had het college al een boete van €200 opgelegd vanwege het niet behalen van het examen voor 1 oktober 2016. Appellante stelde dat zij niet inburgeringsplichtig was op grond van Richtlijn 2004/38/EG en dat de boete in strijd was met het ne bis in idem-beginsel.
De Raad van State oordeelde dat de Richtlijn niet van toepassing is omdat appellante en haar partner niet onder de EU-burgers vallen waarop de richtlijn betrekking heeft. Tevens werd het ne bis in idem-verweer verworpen omdat de inburgeringsplicht een voortdurende verplichting is waarbij meerdere overtredingen op verschillende tijdstippen mogelijk zijn. De boeteoplegging na het verstrijken van een nieuwe redelijke termijn is daarom toegestaan.
De Raad van State bevestigde het vonnis van de rechtbank Den Haag en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Hiermee blijft de boete van €400 in stand wegens het niet voldoen aan de inburgeringsplicht binnen de gestelde termijn.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €400 wegens het niet behalen van het inburgeringsexamen binnen de gestelde termijn en wijst het hoger beroep af.