ECLI:NL:RVS:2019:3862
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State in hoger beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring
Bij besluit van 23 augustus 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag verklaarde op 11 oktober 2019 het beroep tegen het voortduren van deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het hoger beroep tegen het voortduren van de bewaring op grond van artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 niet is toegestaan. Alleen indien sprake zou zijn van een schending van het recht op een eerlijk proces zou het verbod op hoger beroep doorbroken kunnen worden, hetgeen hier niet het geval was.
Daarom verklaarde de Afdeling zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Tevens werd bepaald dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 13 november 2019.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring.