ECLI:NL:RVS:2019:3922

Raad van State

Datum uitspraak
20 november 2019
Publicatiedatum
20 november 2019
Zaaknummer
201804563/1/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J. Hoekstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:69a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging bestemmingsplan Aanpassing hindercontour vuilstort wegens strijd met zorgvuldigheid en motivering

De raad van de gemeente Amersfoort stelde op 10 april 2018 het bestemmingsplan "Aanpassing hindercontour vuilstort" vast, waarin de hindercontour rondom een afvalverwerkingsbedrijf werd verkleind en verplaatst om woningbouw mogelijk te maken. Appellante, eigenaar van gronden binnen het plangebied, stelde beroep in tegen dit besluit.

Appellante voerde aan dat haar bestaande veeschuur en mestbassin, legaal opgericht vóór 1992, ten onrechte niet als zodanig waren bestemd en onder het overgangsrecht waren gebracht, terwijl niet was onderzocht of de woningbouw verenigbaar was met deze agrarische bebouwing. De Afdeling oordeelde dat de raad onvoldoende had gemotiveerd waarom deze bebouwing niet als zodanig was bestemd en dat het overgangsrecht onterecht was toegepast, mede omdat niet duidelijk was of verwijdering binnen de planperiode te verwachten was.

Daarnaast stelde appellante dat het woon- en leefklimaat door de verplaatsing van de milieuzone-geurzone niet aanvaardbaar zou zijn. De Afdeling zag echter af van inhoudelijke bespreking van deze grond vanwege het ontbreken van een rechtstreeks belang van appellante hierbij.

De Afdeling concludeerde dat het bestemmingsplan in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht vanwege gebrekkige zorgvuldigheid en motivering en vernietigde het besluit. Tevens werd de gemeente veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het bestemmingsplan wordt vernietigd wegens strijd met zorgvuldigheid en motivering, met veroordeling tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

201804563/1/R2.
Datum uitspraak: 20 november 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te Amersfoort,
en
de raad van de gemeente Amersfoort,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 10 april 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Aanpassing hindercontour vuilstort" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De raad en Ontwikkelingsbedrijf Vathorst Beheer B.V. hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 september 2019, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen, bijgestaan door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], en de raad, vertegenwoordigd door mr. S.E. Eigenhuis, M. Dee en ing. E. Roelofsen, zijn verschenen. Voorts is Ontwikkelingsbedrijf Vathorst, vertegenwoordigd door mr. S.W. Derksen, advocaat te Utrecht, ter zitting gehoord.
Overwegingen
Inleiding
1.    Het plan voorziet in de verkleining en verplaatsing van de bestaande hindercontour die is opgenomen met het oog op het ten westen van het plangebied gelegen afvalverwerkingsbedrijf met vuilstort. In de verbeelding is de hindercontour vuilstort weergegeven met de aanduiding "milieuzone-geur". Ontwikkelingsbedrijf Vathorst is voornemens om woningen te realiseren in de gebieden De Velden 1F en Laak 2B te Amersfoort. Om de gewenste woningen te kunnen bouwen dient de bestaande hindercontour 40 meter te worden verplaatst en verkleind. Het plan voorziet hierin. De overige in het bestemmingsplan aan de gronden in het plangebied toegekende bestemmingen zijn overgenomen uit de ter plaatse voorheen geldende bestemmingsplannen "Hooglanderveen" en "Vathorst". [appellante] heeft gronden in het plangebied in eigendom. [appellante] kan zich niet verenigen met toegekende bestemmingen.
Toetsingskader
2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.
Gronden [appellante]
3.    [appellante] betoogt dat de raad ten onrechte niet wenst mee te werken aan een door het gemeentebestuur met haar gesloten samenwerkingsovereenkomst van 25 januari 1999 waarin is vastgelegd dat partijen in overleg zouden treden over een wijziging van de bestemming die rust op haar gronden binnen het plangebied. [appellante] verwijst in dit verband naar een op 23 juli 2014 ingediende aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het opslaan van goederen op een deel van haar gronden.
3.1.    [appellante] betoogt dat een op haar gronden aanwezige veeschuur en mestbassin die er al waren voor 1992 en destijds legaal zijn opgericht, ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd en onder het overgangsrecht zijn gebracht. Daartoe voert zij aan dat niet is gebleken dat deze met het plan strijdige situatie binnen de planperiode zal worden opgeheven. Voorts voert zij aan dat ten onrechte niet is onderzocht of de voorziene woningbouw verenigbaar is met de veeschuur en het mestbassin.
3.2.    Aan de gronden van [appellante] is evenals in het vorige plan de bestemming "Agrarisch met waarden-open slagenlandschap" toegekend.
Artikel 3, lid 3.1, luidt:
"De voor "Agrarisch met waarden-open landschap" aangewezen gronden bestemd voor:
a. de uitoefening van de grondgebonden agrarische bedrijfsvoering;
b. het weiden van vee en/of het verbouwen van gewassen (niet in een volkstuin-complex);
c. de instandhouding, bescherming en ontwikkeling van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het open landschap;
d. extensief recreatief medegebruik;
e. de waterhuishouding;
f. nutsvoorzieningen en kleinschalige infrastructurele voorzieningen.
Artikel 3, lid 3.2.1, luidt:
"Op deze gronden mogen uitsluitend andere bouwwerken worden gebouwd met een maximale hoogte van 1.30 m, mits deze ten dienste staan van de bestemming."
Artikel 3, lid 3.2.2, luidt:
"Bestaande veldschuren en/of schuilgelegenheden, welke krachtens een bouwvergunning, dan wel omgevingsvergunning zijn opgericht en in overeenstemming zijn met de bestemming mogen volgens dit plan geacht aan het plan te voldoen."
Artikel 16, voor zover relevant, luidt:
"16.1 Overgangsrecht bouwwerken
a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
2. (…)
b. (…)
c. Het bepaalde in sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan."
3.3.    De Afdeling stelt voorop dat voor zover [appellante] heeft gesteld dat er een rechtsgeldige overeenkomst is die ten onrechte niet is nagekomen, de civiele rechter bevoegd is daarover te oordelen en daar in de voorliggende procedure geen plaats voor is.
3.4.    Voor zover [appellante] een bestemming wenst die ruimere gebruiksmogelijkheden biedt, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat daartoe tijdig een concreet en ook voldoende ruimtelijke onderbouwd initiatief onder de aandacht van de raad is gebracht. De Afdeling overweegt dat het initiatief van jaren geleden uit 2014, waar [appellante] op doelt, toentertijd is afgewezen. Het betoog faalt.
3.5.    Wat betreft hetgeen is aangevoerd omtrent de veeschuur en het mestbassin overweegt de Afdeling dat [appellante] in 1992 een boerderij met de veeschuur, het mestbassin en andere opstallen heeft verworven. De boerderij is inmiddels gesloopt maar de veeschuur en het mestbassin staan er nog. Niet in geschil is dat het hier om legaal opgerichte bebouwing gaat. Deze bebouwing kan ingevolge het plan voor een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering worden aangewend. Omdat de veeschuur en het mestbassin niet kunnen worden aangemerkt als ander bouwwerk als bedoeld in artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels dan wel als een bestaande veldschuur en/of schuilgelegenheid als bedoeld in artikel 3, lid 3.2.2, zijn de veeschuur en het mestbassin aldus niet als zodanig bestemd en derhalve onder het bouwovergangsrecht gebracht.
3.6.    Gelet op de rechtszekerheid dient bestaand legaal aanwezige bebouwing in beginsel als zodanig te worden bestemd. Op dit uitgangspunt kan onder meer een uitzondering worden gemaakt indien een dienovereenkomstige bestemming op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet aannemelijk zijn dat concreet zicht bestaat op verwijdering van deze bebouwing binnen de planperiode, omdat het overgangsrecht bedoeld is als overbrugging van een tijdelijke situatie. Indien aan deze voorwaarden is voldaan, kan bestaande bebouwing onder het overgangsrecht worden gebracht. De raad heeft het hiervoor gestelde niet betrokken bij zijn besluit. Niet is inzichtelijk gemaakt of de raad tot verwerving van deze gronden wenst over te gaan. Ook ter zitting is hierover geen duidelijkheid verkregen. Nu niet duidelijk is of er concreet zicht op verwijdering van bedoelde bebouwing is, is de Afdeling van oordeel dat de raad de veeschuur en het mestbassin ten onrechte onder het overgangsrecht heeft gebracht. Voorts heeft de raad bij zijn besluitvorming ten onrechte niet betrokken of de veeschuur en het mestbassin en het als zodanig ook gebruiken ervan, waartegen het plan zich niet verzet, verenigbaar zijn met in de onmiddelijke nabijheid ervan in het plan voorziene woningbouw. Gelet op het voorgaande is het plan in zoverre in strijd met de eisen van zorgvuldigheid en motivering vastgesteld. Het betoog slaagt.
Toekomstige woonwijk
4.    [appellante] betoogt ten slotte dat er geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de in het plan voorziene woningen door verplaatsing van de milieuzone-geurzone die verband houdt met het afvalverwerkingsbedrijf met vuilstort omdat ter plaatse van deze woningen als gevolg van de exploitatie van bedoeld bedrijf geurhinder zal plaatsvinden.
4.1.    In artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is bepaald: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."
4.2.    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.
4.3.    Het belang waarvoor [appellante] met deze beroepsgrond bescherming zoekt is gelegen in het voorkomen van negatieve gevolgen voor toekomstige bewoners van hun woon- en leefklimaat als gevolg van de in het plan voorziene ontwikkelingen. In dit geval beroept hij zich op normen voor de bepaling van hetgeen een goede ruimtelijke ordening vereist uit een oogpunt van een goed woon- en leefklimaat. Naar het oordeel van de Afdeling staat artikel 8:69a van de Awb eraan in de weg dat in dit verband gebreken die geen verband houden met het woon- en leefklimaat van [appellante] en daarop geen effect hebben, tot een vernietiging van het bestreden besluit kunnen leiden. De Afdeling ziet daarom af van een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgrond vanwege het bepaalde in artikel 8:69a van de Awb.
Conclusie
5.    In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond.
6.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het beroep van [appellante] gegrond;
II.    vernietigt het besluit van 10 april 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Aanpassing hindercontour vuilstort";
III.    veroordeelt de raad van de gemeente Amersfoort tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV.    gelast dat de raad van de gemeente Amersfoort aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, griffier.
w.g. Hoekstra    w.g. Ouwehand
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2019
224.