ECLI:NL:RVS:2019:3932
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf in hoger beroep vreemdelingenrecht
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 19 oktober 2017 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Tegen deze afwijzing maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 12 september 2018 ongegrond werd verklaard door de staatssecretaris. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 15 maart 2019 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De staatssecretaris werd niet verplicht tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 20 november 2019.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.