ECLI:NL:RVS:2019:3938

Raad van State

Datum uitspraak
21 november 2019
Publicatiedatum
21 november 2019
Zaaknummer
201906709/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vw 2000Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan

De vreemdeling diende een aanvraag in voor een document dat rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan bevestigt, welke door de staatssecretaris op 29 juni 2018 werd afgewezen. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat eveneens ongegrond werd verklaard op 29 oktober 2018. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank, dat op 13 augustus 2019 werd afgewezen.

De vreemdeling stelde daarop hoger beroep in bij de Raad van State. De griffier wees de vreemdeling erop dat het griffierecht betaald moest worden voor behandeling van het hoger beroep, met een uiterste betaaldatum van 19 september 2019. De vreemdeling betaalde het griffierecht niet, ondanks een herinnering en aanmaning per aangetekende brief.

Omdat het griffierecht niet werd voldaan en de vreemdeling geen redenen aanvoerde om het hoger beroep toch in behandeling te nemen, verklaarde de Raad van State het hoger beroep niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

201906709/1/V3.
Datum uitspraak: 21 november 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 13 augustus 2019 in zaak nr. 18/8541 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 29 juni 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluit van 29 oktober 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 augustus 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Berg, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling is in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten.
Overwegingen
1.    De griffier heeft de vreemdeling er bij brief op gewezen dat hij voor het hoger beroep griffierecht moet betalen. Hem is daarbij verzocht het griffierecht uiterlijk op 19 september 2019 te voldoen. Omdat de vreemdeling dit niet heeft gedaan, heeft de griffier hem bij aangetekende brief van 26 september 2019 laten weten dat het griffierecht binnen twee weken na de dag van verzending van de brief op de rekening van de Raad van State moet zijn bijgeschreven of contant moet zijn betaald. In die brief staat ook dat als het griffierecht niet op die datum is ontvangen, het hoger beroep alleen al daarom niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Het griffierecht is niet betaald. De vreemdeling heeft geen redenen aangevoerd waarom het hoger beroep toch in behandeling moet worden genomen.
2.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Vos
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2019
644.