ECLI:NL:RVS:2019:3944

Raad van State

Datum uitspraak
21 november 2019
Publicatiedatum
21 november 2019
Zaaknummer
201904315/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 85, tweede lid, Vw 2000Art. 91, tweede lid, Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank over buiten behandeling stellen verblijfsvergunning asiel

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde op 30 april 2019 een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen buiten behandeling. De vreemdeling bracht hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 28 mei 2019 het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen.

De staatssecretaris ging in hoger beroep bij de Raad van State, stellende dat hij geen belang had bij het hoger beroep en dat het niet voldeed aan de vereisten van de Vreemdelingenwet 2000. De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris wel belang had bij het hoger beroep en dat het hogerberoepschrift aan de formele eisen voldeed.

De Raad van State vond echter geen aanleiding om de uitspraak van de rechtbank te vernietigen, omdat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Tot slot veroordeelde de Raad van State de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, vastgesteld op €512,00, toe te rekenen aan professionele rechtsbijstand.

Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

201904315/1/V2.
Datum uitspraak: 21 november 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister, nu de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 28 mei 2019 in zaak nr. NL19.10030 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 30 april 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld.
Bij uitspraak van 28 mei 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat een nieuw besluit wordt genomen op de aanvraag met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.E.M. de Vries, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.    Anders dan de vreemdeling aanvoert heeft de staatssecretaris belang bij zijn hoger beroep, omdat de uitspraak van de rechtbank de staatssecretaris verplicht de aanvraag in behandeling te nemen of de vreemdeling aanvullend te verzoeken om de aanvraag te completeren. Verder voldoet het hoger beroep, anders dan de vreemdeling betoogt, aan artikel 85, tweede lid, van de Vw 2000. Uit het hogerberoepschrift blijkt tegen welke overweging in de uitspraak de staatssecretaris opkomt en op welke gronden hij dit doet.
2.    Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, griffier.
w.g. Sevenster    w.g. Bosma
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 november 2019
572-942.