ECLI:NL:RVS:2019:4004
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking toevoeging rechtsbijstand wegens overschrijding norm resultaat civiele schadeprocedure
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de intrekking van een toevoeging voor rechtsbijstand door de raad vanwege het behalen van een financieel resultaat van €40.000, wat de norm van €12.500 overschrijdt. De toevoeging was verleend voor een civiele procedure tot schadevergoeding wegens onrechtmatige detentie, voortvloeiend uit een strafrechtelijke zaak.
De rechtbank had geoordeeld dat de toevoeging terecht was ingetrokken omdat het een civiele procedure betrof en de norm voor resultaatbeoordeling van toepassing was. Appellant voerde aan dat het strafrechtelijke karakter van de onderliggende zaak dit anders maakte, maar dit werd verworpen omdat de vordering civielrechtelijk was gebaseerd op artikel 6:162 BW Pro.
Verder werd het beroep op zwaarwegende omstandigheden afgewezen omdat appellant geen bewijs leverde van de terugbetaling van onderhandse leningen aan familie en vrienden. Ook het argument dat de raad de schikkingsovereenkomst met het ministerie had geschonden, faalde omdat de raad niet met het ministerie kon worden vereenzelvigd.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af, waarmee de intrekking van de toevoeging ongewijzigd bleef.
Uitkomst: De intrekking van de toevoeging voor rechtsbijstand wordt bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.