ECLI:NL:RVS:2019:4240
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Belastingdienst/Toeslagen verbeurt dwangsom wegens te late beslissing op bezwaar huurtoeslag 2016
Deze zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 februari 2019, waarin het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaren tegen toeslagen werd afgewezen. De Belastingdienst/Toeslagen had de huur- en zorgtoeslag en het kindgebonden budget over 2016 definitief vastgesteld per 4 augustus 2017. Appellant stelde dat de dienst te laat had beslist op haar bezwaren en eiste een dwangsom.
De rechtbank oordeelde dat appellant haar bezwaren bij het verkeerde bestuursorgaan had ingediend en dat de Belastingdienst/Toeslagen tijdig had beslist. In hoger beroep overwoog de Afdeling dat appellant bewijs had geleverd van tijdige verzending van bezwaarschriften naar het juiste adres van de Belastingdienst/Toeslagen. De dienst erkende vervolgens dat zij meer dan tien weken in gebreke was gebleven.
De Afdeling oordeelde dat de Belastingdienst/Toeslagen een dwangsom van €100,- verschuldigd is voor het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de huurtoeslag, maar geen dwangsom voor de zorgtoeslag en het kindgebonden budget, omdat deze geen terugvordering of nabetaling opleverden. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep gegrond verklaard. Tevens werd de dienst veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De Belastingdienst/Toeslagen is een dwangsom van €100,- verschuldigd wegens te late beslissing op het bezwaar tegen de huurtoeslag 2016.