ECLI:NL:RVS:2019:4261
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging oplegging lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer na ademonderzoek
Het CBR legde op 15 maart 2018 aan appellante een Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (LEMA) op vanwege een ademalcoholgehalte tussen 350 en 435 μg/l. Appellante betwistte dat zij op het aangegeven tijdstip had gereden en stelde dat het ademonderzoek niet volgens de wettelijke termijn was uitgevoerd.
De rechtbank oordeelde dat de processen-verbaal van de verbalisanten, die op ambtseed en ambtsbelofte waren opgesteld, voldoende bewijs vormden dat appellante de auto bestuurde en dat het ademonderzoek conform de wettelijke voorschriften had plaatsgevonden. De Raad van State bevestigt dit oordeel en stelt dat het CBR terecht mocht afgaan op de verklaringen van de verbalisanten.
Hoewel appellante aanvoerde dat de twintigminutentermijn tussen vordering en ademonderzoek mogelijk niet volledig was verstreken, oordeelt de Afdeling dat dit niet leidt tot onrechtmatigheid van het besluit tot oplegging van de LEMA. De mogelijke invloed van mondalcohol was onvoldoende om de uitslag van het ademonderzoek aan te tasten.
De Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat het CBR terecht een LEMA heeft opgelegd aan appellante.