ECLI:NL:RVS:2019:4292
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving geurhinder bij melkveehouderij ondanks bezwaar tegen intrekking dwangsommen
De zaak betreft een hoger beroep van een omwonende tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland inzake handhaving van geurhinder bij een melkveehouderij en co-/mestvergistingsinstallatie te Hantumhuizen. Het college had aan de exploitant vier lasten onder dwangsom opgelegd vanwege geurhinder, waarvan er later twee werden ingetrokken nadat een aanvraag voor een omgevingsvergunning was ingediend.
De appellant betoogde dat de verleende omgevingsvergunning niet overeenkomt met de feitelijke situatie en dat de geurberekeningen onjuist zijn, waardoor geen sprake zou zijn van concreet zicht op legalisatie. De rechtbank oordeelde echter dat het college voldoende gegevens had om de vergunningaanvraag te beoordelen en dat het niet onaannemelijk was dat de vergunning zou worden verleend.
De Raad van State bevestigt dit oordeel. Het college was bevoegd om handhavend op te treden tegen de overtreding van de vergunning, maar gezien de ingediende en ontvankelijke vergunningaanvraag met een geurrapport dat voldeed aan richtwaarden, was het gerechtvaardigd om de dwangsommen in te trekken. De vraag naar de toereikendheid van de vergunning ligt niet ter beoordeling in deze procedure.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.