ECLI:NL:RVS:2019:4386
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen weigering machtiging tot voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 21 augustus 2017 een aanvraag van vreemdelingen voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) afgewezen. Na een bezwaarprocedure werd dit besluit op 14 september 2018 gehandhaafd. De vreemdelingen stelden beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 5 november 2019 het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg binnen tien weken een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen, zodat de uitspraak van de rechtbank niet uitgevoerd hoefde te worden totdat het hoger beroep was beslist.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de uitvoering van de uitspraak van de rechtbank geen onherstelbare gevolgen zou hebben en geen onevenredige inspanning voor de staatssecretaris zou betekenen. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdelingen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening van de staatssecretaris wordt afgewezen en hij wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.