ECLI:NL:RVS:2019:4463
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf door staatssecretaris
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 11 juni 2018 een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf te verkrijgen afgewezen. Hiertegen maakten de vreemdeling en de referent bezwaar, dat op 11 februari 2019 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 20 september 2019 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling en de referent gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze afdeling oordeelde op 24 december 2019 dat het hoger beroep geen gronden bevatte die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moesten worden. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De staatssecretaris werd niet verplicht tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak, waarbij mr. A.W.M. Bijloos als lid en mr. A.K. de Keizer als griffier aanwezig waren.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf bevestigd.