ECLI:NL:RVS:2019:4486
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdverklaring hoger beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring
De vreemdeling is bij besluit van 23 augustus 2019 in vreemdelingenbewaring gesteld. Tegen het voortduren van deze bewaring heeft de vreemdeling beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 4 december 2019 ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.
De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze afdeling overwoog dat het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring onder artikel 96 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 valt, waartegen volgens artikel 84 van Pro dezelfde wet geen hoger beroep mogelijk is.
De Afdeling constateerde dat het verbod op hoger beroep alleen kan worden doorbroken indien er sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces, hetgeen hier niet het geval was. Daarom verklaarde de Afdeling zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen en wees zij het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.