ECLI:NL:RVS:2019:4488
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdeling door Raad van State
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 31 oktober 2017 de aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 30 juli 2018 ongegrond werd verklaard door de staatssecretaris. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze besluiten gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De vreemdeling gaf een schriftelijke uiteenzetting. De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, waarbij de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling en het betalen van griffierecht. De Raad van State stelde hiermee het eerdere oordeel van de rechtbank in stand en maakte daarmee een einde aan de procedure.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.