ECLI:NL:RVS:2019:4489
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf na bezwaar en beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 6 september 2017 de aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 4 september 2018 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 11 januari 2019 het besluit van de staatssecretaris vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris ging in hoger beroep bij de Raad van State. Deze stelde vast dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De Raad van State veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling en legde een griffierecht op. Hiermee blijft het eerdere besluit van de rechtbank in stand en wordt de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf definitief bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.