ECLI:NL:RVS:2019:460
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling na vernietiging verblijfsvergunningbesluit
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die bij besluit van 8 december 2015 door de staatssecretaris werd afgewezen. De rechtbank verklaarde dit besluit op 21 december 2018 gegrond en vernietigde het, waarbij zij bepaalde dat de aanvraag ongegrond werd afgewezen volgens artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zoals destijds van toepassing.
De vreemdeling verzocht vervolgens bij de Raad van State om een voorlopige voorziening om haar uitzetting te voorkomen totdat op haar bezwaar tegen de voorgenomen uitzetting zou zijn beslist. De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de gronden van de vreemdeling onvoldoende waren om de rechtmatigheid van de uitzetting in twijfel te trekken.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en oordeelde dat er geen aanleiding was tot een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter N. Verheij op 15 februari 2019.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzetting van de vreemdeling is afgewezen.