ECLI:NL:RVS:2019:461

Raad van State

Datum uitspraak
15 februari 2019
Publicatiedatum
18 februari 2019
Zaaknummer
201901090/2/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 5 EVRM
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tot opheffing vreemdelingenbewaring

Bij besluit van 9 januari 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag verklaarde het daartegen ingestelde beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter van de Raad van State om een voorlopige voorziening tot opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel.

De voorzieningenrechter overwoog dat het belang van de vreemdeling bij opheffing van de maatregel zwaarder woog dan het belang van de staatssecretaris bij voortzetting, mede gelet op de termijnen uit artikel 5 EVRM Pro en de stand van de procedure. Daarom werd de vrijheidsontnemende maatregel per direct opgeheven, voor zover de staatssecretaris daartoe nog niet was overgegaan.

Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling, ter hoogte van €512,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Over eventuele schadevergoeding zal in de bodemprocedure worden beslist.

Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel vreemdelingenbewaring is per direct opgeheven en de staatssecretaris is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

201901090/2/V3.
Datum uitspraak: 15 februari 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 29 januari 2019 in zaak nr. NL19.507 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 9 januari 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 29 januari 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.    De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de vrijheidsontnemende maatregel wordt opgeheven. De bodemprocedure zal namelijk worden aangehouden in verband met de rechtsvraag die de eerste grief van de vreemdeling oproept.
2.    Mede gelet op de uit artikel 5 van Pro het EVRM voortvloeiende termijnen en de stand van zaken in de bovengenoemde procedure weegt het belang van de vreemdeling bij de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel zwaarder dan het belang van de staatssecretaris bij het voortduren daarvan. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de vrijheidsontnemende maatregel wordt opgeheven, voor zover de staatssecretaris daartoe nog niet is overgegaan. Over eventuele schadevergoeding zal in de bodemprocedure worden beslist.
3.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vrijheidsontnemende maatregel ingaande vandaag wordt opgeheven;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Van Leeuwen
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2019
373.