ECLI:NL:RVS:2019:513
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- A.B.M. Hent
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging matiging boete wegens niet tijdig voldoen aan inburgeringsplicht
De minister legde appellant een boete van € 1.250 op wegens het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht zoals bepaald in artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering. De rechtbank matigde deze boete tot € 625 omdat het niet voldoen aan de plicht appellant in verminderde mate kon worden verweten.
Appellant voerde aan dat hij vanwege ziekte niet in staat was onderwijs te volgen en dat zijn financiële situatie aanleiding gaf tot verdere matiging. De rechtbank oordeelde echter dat de medische adviezen geen reden gaven voor verlenging van de termijn en dat appellant onvoldoende onderbouwing bood voor twijfel aan deze adviezen. Ook achtte de rechtbank de matiging van de boete passend gezien de financiële omstandigheden.
De Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er was geen aanleiding voor verdere matiging van de boete en geen proceskostenveroordeling werd opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de matiging van de boete tot € 625 en verklaart het hoger beroep ongegrond.