ECLI:NL:RVS:2019:535
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag Nederlands kentekenbewijs wegens ontbreken vaststelbaar voertuigidentificatienummer
De appellant vroeg op 27 maart 2017 een Nederlands kentekenbewijs aan voor een auto met een Duits kentekenbewijs. Tijdens controle bleek dat het nummer op de carrosserie niet overeenkwam met het kentekenbewijs en kon het door de fabrikant toegekende voertuigidentificatienummer (VIN) niet worden vastgesteld. De RDW wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de RDW andere mogelijkheden had om het VIN vast te stellen op basis van overige voertuigkenmerken en dat de afwijzing onterecht was. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat de genoemde kenmerken geen eenduidige vaststelling van het VIN mogelijk maken. Tevens werd overwogen dat de wettelijke bepalingen (Wegenverkeerswet 1994 en Regeling voertuigen) en jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU het rechtvaardigen dat de RDW de aanvraag afwijst indien het voertuig niet overeenkomt met het kentekenbewijs.
De Afdeling concludeerde dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de RDW de aanvraag terecht heeft afgewezen omdat het VIN niet kon worden vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag voor een Nederlands kentekenbewijs is terecht afgewezen wegens het ontbreken van een vaststelbaar voertuigidentificatienummer.