ECLI:NL:RVS:2019:538
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering toeslagen ondanks betwisting inkomensverdeling na beëindiging partnerschap
Appellante ontving in 2015 zorgtoeslag, kindgebonden budget en huurtoeslag. De Belastingdienst stelde deze toeslagen definitief lager vast omdat het gezamenlijke inkomen van haar en haar ex-partner hoger was dan aanvankelijk opgegeven. De rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst terecht het gezamenlijke toetsingsinkomen voor het hele jaar hanteerde, omdat de wet geen mogelijkheid biedt om het jaar op te splitsen.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte het volledige inkomen van haar ex-partner bij haar toeslagen heeft betrokken, omdat zij niet profiteerde van een inkomensstijging na het beëindigen van het partnerschap. Zij verwees naar eerdere uitspraken waarin werd geoordeeld dat de wetgeving in strijd kan zijn met het discriminatieverbod van het IVBPR. De Belastingdienst stelde dat het aan appellante is om te bewijzen dat het inkomen van haar ex-partner na vertrek meer dan 10% is gestegen.
De Afdeling bestuursrechtspraak concludeerde dat appellante onvoldoende bewijs heeft geleverd van een relevante inkomensstijging van haar ex-partner na het partnerschap. De door haar overgelegde loon- en uitkeringsspecificaties toonden geen stijging van meer dan 10%. Daarom was het terecht dat de Belastingdienst artikel 7 van Pro de Awir niet buiten toepassing liet.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.