ECLI:NL:RVS:2019:552

Raad van State

Datum uitspraak
19 februari 2019
Publicatiedatum
20 februari 2019
Zaaknummer
201800951/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • A.B.M. Hent
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3:4 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 85 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling gegrondheid hoger beroep staatssecretaris inzake afwijzing verblijfsvergunning

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 22 december 2016 de aanvraag van een vreemdeling voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 23 juni 2017 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze beslissing gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen.

De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De vreemdeling stelde incidenteel hoger beroep in. De Afdeling oordeelde dat het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling niet tot vernietiging kon leiden en dat het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond was.

De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Hiermee werd het eerdere besluit van de staatssecretaris bekrachtigd en het beroep van de vreemdeling verworpen.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond.

Uitspraak

201800951/1/V1.
Datum uitspraak: 19 februari 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:
1.    de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en
2.    [de vreemdeling],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 15 januari 2018 in zaak nr. 17/12801 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 22 december 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 23 juni 2017 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 januari 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.M.J.M. Louwerse, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
In het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling
1.    Hetgeen in het incidenteel hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
In het hoger beroep van de staatssecretaris
2.    Niet in geschil is dat de door de staatssecretaris in het besluit van 23 juni 2017 in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM gemaakte belangenafweging niet anders is dan in het eerdere besluit van 4 augustus 2016. De rechtbank heeft overwogen geen aanleiding te zien om terug te komen van haar uitspraak van 9 februari 2017 op het tegen het besluit van 4 augustus 2016 door de vreemdeling ingestelde beroep en heeft daarom het besluit van 23 juni 2017 vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:4 en 7:12 van de Awb.
Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 9 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1171, waarbij de uitspraak van 9 februari 2017 is vernietigd, slaagt de tegen deze overwegingen gerichte grief van de staatssecretaris.
3.    Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond en het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 23 juni 2017 alsnog ongegrond verklaren.
4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid gegrond;
II.    verklaart het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;
III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 15 januari 2018 in zaak nr. 17/12801;
IV.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A.B.M. Hent, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.
w.g. Hent    w.g. De Vink
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2019
154.