ECLI:NL:RVS:2019:637
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Kramer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging handhavingsbesluit ligplaats wegens strijd met gelijkheidsbeginsel
Appellant betrof een inwoner van Broek in Waterland die zonder omgevingsvergunning een houten looppad en een ligplaats had gerealiseerd langs een sloot bij zijn perceel. Het college trad handhavend op en gelastte verwijdering van het looppad en het staken van het gebruik als ligplaats. De rechtbank bevestigde dit besluit.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde in een tussenuitspraak dat het college onvoldoende had gemotiveerd dat het handhavend optreden tegen het innemen van de ligplaats niet in strijd was met het gelijkheidsbeginsel. Het college werd opgedragen dit gebrek te herstellen.
Het college leverde een aanvullende motivering waarin het stelde dat op andere percelen binnen de gemeente ook aanleggelegenheden aanwezig zijn, waarvan sommige legaal en andere niet, en dat handhaving selectief plaatsvindt zonder strijd met het gelijkheidsbeginsel. Appellant voerde aan dat het college onterecht verschillende gevallen als ongelijk behandelde.
De Afdeling oordeelde dat het college voldoende had gemotiveerd dat het handhavend optreden jegens appellant niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, mede omdat op andere locaties ook handhavend wordt opgetreden tegen illegale aanleggelegenheden. Het hoger beroep van appellant tegen het besluit van 9 maart 2017 werd gegrond verklaard en het besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Awb, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.
Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het besluit van het college is vernietigd wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.