ECLI:NL:RVS:2019:645
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-in behandeling nemen asielaanvraag wegens eerdere afwijzing
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris bij besluit van 4 juni 2018 niet in behandeling werd genomen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit ongegrond. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat het besluit rechtmatig was genomen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, terwijl dit niet correct was. Desondanks werd geoordeeld dat de vreemdeling niet door dit gebrek was benadeeld, mede omdat de staatssecretaris ook inhoudelijk had beoordeeld dat Spanje verantwoordelijk was voor de asielaanvraag en de aanvraag op grond daarvan niet in behandeling hoefde te worden genomen.
De overige grieven van de vreemdeling werden niet ontvankelijk verklaard omdat zij geen relevante rechtsvragen opriepen. De Afdeling verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigde het vonnis van de rechtbank. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep is kennelijk ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is bevestigd.