AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf
Bij besluit van 20 december 2017 wees de staatssecretaris een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 20 juli 2018 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 19 december 2018 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris binnen zes weken een nieuw besluit moest nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, zodat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoefde uit te voeren zolang het hoger beroep loopt. De vreemdeling gaf een schriftelijke reactie.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de uitspraak van de rechtbank niet inhoudt dat de staatssecretaris de mvv moet verlenen, waardoor uitvoering van de uitspraak geen onherstelbare gevolgen heeft. Ook stelde de staatssecretaris geen onevenredige inspanning bij uitvoering. Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek af en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten van €512,00.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.
Uitspraak
201901428/2/V1.
Datum uitspraak: 4 maart 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 19 december 2018 in zaak nr. 18/6208 in het geding tussen:
[de vreemdeling], mede voor haar minderjarig kind, (hierna: de vreemdeling)
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 20 december 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 20 juli 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 december 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Voorts heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de staatssecretaris in afwachting van de uitspraak op zijn hoger beroep geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank.
2. Gelet op de belangen die de staatssecretaris en de vreemdeling naar voren hebben gebracht, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de aangevallen uitspraak er niet toe strekt dat de staatssecretaris de gevraagde mvv moet verlenen. Uitvoering van de uitspraak leidt dus niet tot gevolgen die zich slechts bezwaarlijk laten herstellen. Verder neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de staatssecretaris niet heeft aangevoerd dat uitvoering van de uitspraak van hem een onevenredige inspanning vergt.
3. Het verzoek moet als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
4. De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek af;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.