ECLI:NL:RVS:2019:72
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen nieuw besluit staatssecretaris inzake machtiging voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 17 november 2017 een aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na bezwaar verklaarde de staatssecretaris dit bezwaar op 31 augustus 2018 ongegrond. De rechtbank Den Haag oordeelde op 29 november 2018 echter dat het beroep van de vreemdeling gegrond was, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris binnen zes weken een nieuw besluit moest nemen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, zodat hij het vonnis van de rechtbank niet hoefde uit te voeren voordat het hoger beroep was beslist. De vreemdeling gaf een schriftelijke reactie.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank in stand zou blijven en vond het verzoek kennelijk gegrond. Daarom werd bepaald dat de staatssecretaris geen nieuw besluit hoeft te nemen voordat het hoger beroep is afgerond. Een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: De staatssecretaris hoeft geen nieuw besluit te nemen voordat het hoger beroep is beslist.