ECLI:NL:RVS:2019:74
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering VOG aan taxichauffeur ondanks bezwaar en beroep
De appellant verzocht op 22 mei 2017 om een verklaring omtrent het gedrag (VOG) voor zijn chauffeurskaart om als taxichauffeur te kunnen werken. De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees dit verzoek bij besluit van 17 augustus 2017 af, waarna de minister het bezwaar op 10 november 2017 ongegrond verklaarde. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellant op 6 april 2018 ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat binnen de terugkijktermijn van vijf jaar in het Justitieel Documentatie Systeem strafbeschikkingen waren geregistreerd, waaronder een boete en rijontzegging wegens snelheidsovertreding en een boete wegens medeplegen van het niet voldoen aan de rijbewijsplicht. Gelet op het korte tijdsverloop en de aard van de feiten mocht de minister zich op het standpunt stellen dat het subjectieve criterium voor afgifte van een VOG niet was vervuld.
Appellant voerde aan dat hij zijn werk als taxichauffeur geruime tijd zonder incidenten had uitgevoerd en financieel afhankelijk was van zijn werk, en dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met zijn goede gedrag en de resocialisatiegedachte. De Afdeling verwierp deze argumenten en oordeelde dat de belangenafweging van de minister niet onredelijk was en dat de weigering geen sprake was van dubbele bestraffing. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de VOG-aanvraag wegens onvoldoende afname van het risico voor de samenleving.