ECLI:NL:RVS:2019:915
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning voor villa in Hoek van Holland
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam had op 3 juli 2017 een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een villa op een perceel te Hoek van Holland. Tegen deze vergunning maakten meerdere wederpartijen bezwaar, die door het college ongegrond werden verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de wederpartijen gegrond, vernietigde de besluiten op bezwaar en herroept de vergunning, waarna het college hoger beroep instelde.
Het college verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat de vergunning tijdelijk zou herleven in afwachting van de uitspraak in hoger beroep. Het college stelde dat de rechtbank onjuist had geoordeeld over de aanhoudingsplicht op grond van artikel 3.3, eerste lid, van de Wabo en dat er een spoedeisend belang was bij schorsing van de uitspraak.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het oordeel voorlopig en niet bindend is en dat de vraag over de aanhoudingsplicht in de bodemprocedure moet worden beantwoord. Gezien de uiteenlopende standpunten en het ontbreken van een evident onjuiste uitleg van de rechtbank, achtte de voorzieningenrechter het belang van het college onvoldoende voor het treffen van een voorlopige voorziening. Ook het belang bij het herleven van de vergunning in de procedure over het bestemmingsplan was onvoldoende.
Daarom werd het verzoek afgewezen en het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van de wederpartijen. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter H.G. Lubberdink op 25 maart 2019.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.