ECLI:NL:RVS:2019:943
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- B.P. Vermeulen
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens zonder vergunning onttrekken van woonruimte aan bestemming tot bewoning
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde appellant een boete op van €20.500 wegens het zonder vergunning onttrekken van woonruimte aan de bestemming tot bewoning. Na bezwaar werd de boete vastgesteld op €13.500. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij en een medebewoner feitelijk hoofdverblijf hadden in de woning, waardoor geen vergunning nodig was voor vakantieverhuur.
De Raad van State oordeelde dat het college met rapporten van toezichthouders en administratief onderzoek aannemelijk heeft gemaakt dat noch appellant noch de medebewoner feitelijk hoofdverblijf hadden. De toezichthouders constateerden dat toeristen de woning gebruikten en dat er geen persoonlijke spullen aanwezig waren, ook niet in een afgesloten kast. Appellant kon zijn stellingen niet aannemelijk maken en gaf wisselende verklaringen.
Verder stelde appellant dat de boete te hoog was gezien zijn financiële situatie. De Raad van State verwierp dit, mede omdat appellant vermoedelijk inkomsten uit verhuur niet had opgegeven. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €13.500 wegens het zonder vergunning onttrekken van woonruimte aan de bestemming tot bewoning.